Om u een
indruk te geven hoe het boek in elkaar zit en hoe het geschreven is, vindt u
hieronder een ingedikte versie van de inhoudsopgave (in werkelijkheid bestaat
elk hoofdstuk uit aparte korte stukjes waarin een stad, een streek of een
verhaal wordt beschreven, zie hoofdstuk 4, Jugendstil…). Daarna vindt u een
paar korte fragmenten: uit de inleiding, uit het hoofdstuk over Boedapest (een
stukje wandeling in de Joodse wijk) en uit het begin van hoofdstuk 4, Jugendstil
in de provincie.
Inhoudsopgave:
Wat is dat
voor land?
Wat is dit
voor boek?
1.
Boedapest: een moderne klassieke hoofdstad
Wandeling 1 - @Burchtheuvel
Wandeling 2 - Tussen Kettingbrug en
Parlement
Wandeling 3 - Rond de Andrássy
Boulevard
Wandeling 5 - De Joodse wijk
Wandeling 6 - De Grote Ring
Verder in Boedapest
Rondom Boedapest
2. Het
Balatonmeer
De Hongaarse zee
Dagtrips vanaf het Balaton
3. De
Donau stroomopwaarts: het welvarende Westen
4.
Jugendstil in de provincie, het stroomgebied tussen Donau en Tisza
>>> De Verlaten Leegte
@Kecskemet
>>> Hongaarse pruimen,
paprika’s en … sinaasappels?
De regio @Kiskunsag
>>> Klein en Groot Koemanië
@Kiskunfélegyháza
Csongrád, Szentes, Kunszentmárton
@Opusztaszer
>>> De Zeven Hoofdmannen en
de Landinname
@Hódmezövásárhely
@Szeged
>>> Attila de Hun
@Subotica (Servie)
@Mohács
>>> De slag bij Mohács
@Szekszard, Gemenc natuurpark
>>> Hongaarse wijnen
@Pécs
>>> Het ‘gezonde’
buitenleven
@Osijek (Kroatie)
@Szigetvár
>>> Süleyman de
Prachtlievende in Hongarije
5. Het
Vlakke Land: de grote leegte
6. Het
noordelijke heuvelland: het arme noordoosten
Feiten,
weetjes en tips
Wat is dit voor boek?
Dit is een gids voor mensen die ook zelf actief op zoek gaan naar
allerlei alledaagse informatie. Waar ik u in dit boek dan ook niet mee lastig
val is actuele details over festivals, tijdelijke tentoonstellingen, markten,
muziekvoorstellingen, net geopende restaurants, kleine plaatselijke musea enz
enz. Veel van die informatie is op het moment van opschrijven al zo ongeveer
verouderd en is dus eigenlijk volstrekt overbodig. U wilt die informatie hebben
over de plaats waar u bent op het moment dat u daar bent. Het is dus altijd
raadzaam om als u een stad bezoekt eerst langs het plaatselijke Tourinform kantoor
te gaan waar ze u alles en up-to-date kunnen vertellen. Daarom vermeld ik
altijd als eerste het adres (meestal in hartje stad), tel nummer en de website
van het kantoor. De stadswandelingen die ik beschrijf vertrekken meestal ook
vanaf dat punt.
Kaarten
Ik ga ervan uit dat u ofwel een Tomtom of GPS heeft en/of via
Internet makkelijk via google maps e.d. een kaartje kunt vinden, de globale
lay-out van een stad kunt bekijken voor u erheen gaat en adressen kunt
opzoeken, zoals de plek waar u het Tourinform kantoor precies vindt. Om in een
stad rond te kijken, kunt u bij Tourinform altijd gratis stadskaartjes krijgen
of uitgebreidere kaarten kopen. Ook de details van wandelingen, fietstochten of
tochten met de kano kunt u beter ter plekke opzoeken, ik vermeld slechts of dat
soort voorzieningen er zijn.
In deze gids zijn alleen simpele kaartjes opgenomen van de grotere
steden die u een globaal idee geven hoe het stadscentrum in elkaar zit en hoe
het met toegangswegen zit. De kaartgegevens zijn allemaal van
OpenStreetMaps (www.openstreetmap.org/),
een geweldige internetsite. (Kaartgegevens© OpenStreetMap-auteurs, CC-BY-SA)
Steden zoeken
U kunt in dit boek het snelst bij een hoofdstuk over een bepaalde
stad komen door @“naam stad” op te zoeken, bijvoorbeeld @Sopron of @Pécs (geen
spatie). Dat brengt u altijd aan het begin van het betreffende stukje.
(….)
Boedapest - Wandeling 5 - De Joodse wijk
In het
vooroorlogse Boedapest woonden heel veel en dus overal Joden, maar er
waren een paar wijken die er uitsprongen en de voornaamste daarvan was Erzsébet
Stad oftewel het VIIe district. Er wonen in dit stadsdeel nog altijd veel Joden
en er zijn diverse koosjere winkels (bakker, slager e.d.). Er is zelfs sprake
van een soort Joodse revival, waarbij met name jongeren zich ook weer
aansluiten bij de meer orthodoxe varianten van het geloof. In de wijk zijn ook
veel Israëlische investeerders, al dan niet met (oude) familiebanden in Hongarije,
actief in de restauratie en nieuwbouw van panden. Tegelijk is de buurt ook
trendy en zijn er veel populaire eethuisjes, cafés en tuinkroegen (kerti bar)
gevestigd op lege plekken tussen huizen, een tuin of een parkeerplaatsje. De
aankleding is supersimpel en goedkoop maar de plekken zijn in de zomer zeer
populair onder jongeren.
Deze
wandelroute doet de voornaamste Joodse gebedshuizen aan zoals de grote neologe
synagoge aan de Dohány utca, de status quo synagoge in de Rumbach straat en de
orthodoxe in de Kazinczy straat. Hij voert ook door het Gozsdu Hof, de Kírály
utca en het centrale Klauzál tér. Even buiten de wijk, maar gemakkelijk
met trolleybus te bereiken, doet de wandeling ook het Glazen Huis aan – een van
de voornaamste onderduikcentra tijdens de oorlog – en een bijzonder Holocaust
monument aan de oever van de Donau. Laatste stop op deze wandeling is het
Holocaust Herdenkings Centrum. In de route zitten twee korte stukjes waar u
ervoor kunt kiezen even het openbaar vervoer te nemen in plaats van te lopen.
(…)
@Glazen Huis
U stapt uit op de halte Bajcsy Zsilinsky ut, die zit in de kleine Kálman
Imre straat direct nadat de bus de (brede) Bajcsy Zsilinsky is overgestoken. U
loopt 50 m. verder en gaat dan links de Vadász utca in, waar 100 meter verderop
aan uw linkerhand op no. 29 het Glazen Huis (Üveg ház) ligt. Hier vonden meer
dan 3000 Joden in 1944 tijdens de ergste razzia’s een schuilplek dankzij
Westerse diplomaten als de Zwitser Carl Lutz en de Zweed Raoul Wallenberg. Het
ziet er nu uit als een tamelijk onooglijk fabrieksgebouwtje, maar het is dan
ook in deplorabele staat. Toen het begin jaren dertig werd gebouwd als nieuwe
glasfabriek van de familie Weiss gold het als een gedurfd gebouw. De hele
voorgevel was van verschillende soorten glas en ook binnenin was er veel glas
verwerkt in wanden, deuren, plafonds en het trappenhuis, zodat het heel licht
was, wat nog werd geaccentueerd door de modernistische inrichting en
aankleding. In 1944 nam de Zwitserse ambassade het gebouw, dat inmiddels al
jaren leeg stond omdat Joden geen fabriek konden bezitten, over en gaf het een
diplomatieke status. Het werd een van de belangrijkste “veilige huizen” van de
stad, waar de nazi’s en vooral de Hongaarse fascisten die jacht maakten op
Joden niet naar binnen durfden.
In 2005 vestigde de Carl Lutz Stichting een herdenkingskamer in de
garagesectie op de benedenverdieping, waar documenten en foto’s te zien zijn (www.uveghaz.org toegang gratis,
dagelijks geopend van 13-16, ook op zat en zon, aanbellen bij de ijzeren deur).
Er zijn plannen om het gebouw, dat inmiddels eigendom is van de Joodse
gemeenschap, verder te restaureren maar die zijn vooralsnog vaag.
>>> Diplomaten met lef
De Zwitserse diplomaat Carl Lutz redde, net als zijn Zweedse collega Raoul
Wallenberg, vele tienduizenden Hongaarse Joden het leven door hen te voorzien
van diplomatieke papieren en hen op te nemen in gebouwen in Boedapest die onder
diplomatieke bescherming stonden. Lutz werd in 1942 viceconsul in Boedapest en
verleende in die hoedanigheid reispapieren voor bijna 10.000 Joodse kinderen om
naar Palestina te emigreren. De Duitse autoriteiten waren hem redelijk welgezind
omdat hij in de jaren dertig als diplomaat in Palestina eens Duitse officieren
had bijgestaan. Toen de Duitsers Hongarije bezetten en de deportaties uit de
provincie begonnen, duurde het even voordat Lutz en anderen zich realiseerden
wat hier precies aan de hand was. Maar toen dat besef doordrong, regelde Lutz
bij de Duitsers een speciale permissie om 8.000 reispassen uit te schrijven
voor Joden die naar Palestina wilden emigreren. Hij interpreteerde dat bewust
als een permissie voor 8.000 Joodse families en gaf in feite tienduizenden van
die documenten uit, allemaal met een nummer tussen 1 en 8.000. Hij zette ook 76
“beschermde huizen” op in Boedapest die onder de Zwitserse ambassade vielen en
waar Duitse en Hongaarse troepen niet naar binnen mochten. Het Glazen Huis was
daarvan het grootste.
Er waren diverse andere diplomaten met wie hij samenwerkte, zoals de
Italiaan Giorgio Perlasca, ooit een aanhanger van Mussolini en nu een lagere
ambtenaar op de Spaanse ambassade. Toen de Spaanse ambassadeur, een vriend van
Lutz, werd teruggeroepen, gaf Perlasca zich simpelweg uit als zijn opvolger en
begon papieren uit te geven. Ook de gezant van het Vaticaan Angelo Rotta en de
Zwitserse diplomaat van het Internationale Rode Kruis Friedrich Born hielpen
actief. Een buitengewone rol werd gespeeld door de Zweedse diplomaat Raoul
Wallenberg, die door de Zweedse regering in juli 1944 naar Boedapest was
gezonden om zoveel mogelijk Joden te redden. In navolging van Lutz gaf hij op
grote schaal Zweedse passen uit, waarbij Wallenberg zelfs voor de ogen van
verbijsterde Hongaarse soldaten de treinen die vol met Joden klaarstonden voor
vertrek opklom, papieren uitdeelde en dan eiste dat de wagons werden geopend.
Wallenberg werd in januari 1945 door de Russen in Boedapest gearresteerd en
werd waarschijnlijk jaren later in een gevangenis in Moskou vermoord.
@Schoenen monument
Van het Glazen Huis naar de Donau is het een kwartier lopen. U gaat
linksaf, na 50 m. rechts het markgebouw in waar u doorheen loopt en ook daarna
alsmaar rechtdoor, de Percel Mór utca door (langs de Amerikaanse ambassade),
het Szabadság Plein over (langs het Sovjet monument) en de Zoltán utca door tot
aan de Donau. Het monument ligt pal aan de oever, aan de andere kant van de
brede en drukke autoweg (verkeer van twee kanten) en over de vangrail. Er is
helaas geen goede oversteek gebouwd, waarschijnlijk vinden de autoriteiten dat
iedereen via de zebra bij de Kettingbrug naar de oeverpromenade moet maar dat
is 400 m. verderop (en weer terug) dus dat doet zelden iemand.
Het monument bestaat uit een lange rij van 60 metalen schoenparen in vele
soorten en maten. In de laatste weken van de oorlog, december 1944 - januari
1945, reden zelfs de treinen naar Auschwitz niet meer. De Hongaarse fascisten
begonnen daarop groepen Joden naar de Donau te drijven. Daar moesten ze hun
schoenen uitdoen (schoenen waren in die strenge winter een kostbaar bezit) en
werden ze aan de kaderand afgeschoten zodat ze in de Donau vielen. Hoevelen er
zo nog omkwamen is niet duidelijk. Die ‘kwetsbare’ schoenen tegen de
achtergrond van de prachtige rivier en het silhouet van de stad maakt het tot
een zeer indrukwekkend Holocaust monument.
@Holocaust museum
Wilt u nog meer zien en horen over de achtergrond van de Holocaust in
Hongarije en Boedapest, dan kunt u naar het Holocaust Museum (http://old.hdke.hu), officieel het Holocaust
Documentatie en Herinneringscentrum, in de Páva utca 39. Daar komt u het
makkelijkste met de metro: één halte met de rode lijn van Kossuth tér bij het
Parlement naar Deák tér (richting örs vezér tér), op Deák tér overstappen op de
blauwe lijn (richting Köbánya) en uitstappen op de halte Ferenc Körút.
Het museum, geopend in 2004, is gevestigd in een oude synagoge waaraan een
nieuwe museumvleugel is aangebouwd. Op een glazen wand aan de binnenhof zijn de
namen van alle Hongaarse Holocaustslachtoffers gegraveerd. Het museum heeft een
indrukwekkende tentoonstelling (ook Engelse ondertiteling) over de Holocaust
zelf maar ook de aanloop ernaartoe met ondermeer het politieke klimaat en de
anti-Joodse maatregelen in de jaren twintig en dertig. U kunt ook de oude
synagoge, gebouwd in 1924, in en er zijn een bibliotheek en een archief.
(….)
Hoofdstuk 4. Jugendstil in de provincie
Over de Hongaarse secessie
en de poesta, Zsolnai porselein en Székszárdi wijn, Süleyman de Prachtlievende,
de Zeven Hoofdmannen en de Koemannen.
Stroomgebied tussen Donau en Tisza
Dit hoofdstuk gaat zuidwaarts door de westelijke poesta, het
vlakke landbouwgebied dat ligt ingeklemd tussen de rivieren de Tisza en de
Donau. De route doet eerst Kecskemét, Kiskunfélegyháza, Csongrád, Szentes,
Hódmezövásárhely, Szeged en Subotica (in Servië, Szabadka in het Hongaars) aan.
Als er één ding is wat deze steden verbindt dan is het de opmerkelijke
overvloed aan kleur- en fantasierijke gebouwen in de stijl die de Hongaarse
“secessie” wordt genoemd, in West-Europa beter bekend als “jugendstil” of “art
nouveau.” Dit deel van de provincie maakte eind 19e eeuw, precies op het moment
dat de jugendstil in heel Europa in de mode was, een enorme landbouwboom door
en dus was het niet meer dan natuurlijk dat de nieuwe rijken hun nieuwe
paleizen in die stijl lieten bouwen.
Pécs ligt weliswaar iets verder naar het westen, maar daar stond
en staat de Zsolnay porseleinfabriek die de keramiek leverde die zo kenmerkend
is voor de versiering van veel jugendstilgebouwen in Hongarije. Het is
bovendien een stad waar de Ottomaanse periode nog zichtbaar is, net als in
Mohács, waar de Hongaren hun historische nederlaag tegen de Turken leden, en
Szigetvár, waar sultan Suleiman de Prachtlievende overleed.
Verspreid over de route liggen diverse wandel- en natuurgebieden
zoals de Mecsek heuvels boven Pécs, het Kiskunsági Nationaal Park (eigenlijk
een bonte verzameling kleinere parken te midden van dorpen, wegen en
landbouwland), het Gemence nationale park en het “Kopatski rit”gebied in
Kroatië, vlakbij het stadje Osijek. Voor de wijnliefhebbers zijn er natuurlijk
ook nog de wijngebieden van Székszárd (ten noorden van Pécs) en Villány (ten
zuiden van Pécs).
>>> De Verlaten Leegte
In de middeleeuwen was het vlakke stromenland van de rivieren
Tisza en Donau dicht bebost en waren er honderden verspreid liggende kleine
dorpjes. Maar tijdens de Ottomaanse opmars begin 16e eeuw en de
oorlogshandelingen die vervolgens meer dan anderhalve eeuw over Hongarije
raasden, zochten mensen een veilig heenkomen in grotere steden. De dorpen
liepen leeg en het gebied ontvolkte vrijwel geheel. Het meeste hout werd
gekapt, ondermeer voor de bouw van militaire fortificaties, of simpelweg
afgebrand om de vijand beter in de smiezen te kunnen houden. Het gebied
veranderde zo in een verlaten vlakte van gras- en moeraslanden.
Na het verdrijven van de Turken eind 17e eeuw werden er in het
gebied, dat inmiddels door de Hongaren werd aangeduid als “de poesta” (“puszta”
betekende zoveel als “verlaten” of “leeg”), slechts spaarzaam nieuwe dorpen
gesticht en de enige economische activiteit die nog mogelijk was, was
extensieve veeteelt: het houden van kuddes geiten, schapen, runderen en
paarden. Pas veel later, eind 19e eeuw, is die periode in de Hongaarse
litteratuur verheerlijkt als een romantische tijd van stoere
“csikósok”(cowboys) en hun behendige paardrijkunsten, weerbarstige herders die
rond de goulashpot zaten en Robin Hood achtige rovers die over de vlakte
zwierven. De realiteit was ongetwijfeld een veel rauwere.
In de loop der tijd begon het land echter door overbegrazing
steeds meer te verzanden en verstuiven, zodat eind 19e eeuw een grootscheeps
irrigatieplan werd opgesteld. Door het aanleggen van dammen om de rivieren
Tisza en Donau te temmen en het droogleggen van moerasgebieden ontstonden
uitgestrekte nieuwe landbouwgronden voor de verbouw van graan en paprika’s en
het aanplanten van fruitbomen en wijnranken. Zo ontstonden ook hier grote
feodale landgoederen en werden stadjes als Kecskemét, Kiskunfélegyháza,
Hódmezövásárhely, Szeged, Subotica en Nagyvárad, die daarvoor bescheiden van
omvang waren, belangrijke marktplaatsen voor de overslag van landbouwproducten.
Zo ontstond er in die stadjes ook een nieuwe laag van gegoede burgers die
het geld hadden om mooie huizen te bouwen, naar het theater te gaan en parken
en lanen aan te leggen.
@Kecskemét
Tourinform: Kossuth tér 1 tel
76/481-065
Kecskemét is niet zo erg bekend onder toeristen, maar dat is onterecht.
Buiten Boedapest is het misschien wel de meest interessante stad van het land.
Het heeft een klein maar zeer bijzonder centrum met een schat aan
jugendstilgebouwen en er staan een aantal zeer goede musea (waaronder het enige
fotografiemuseum van het land). Het heeft de sfeer die hoort bij een
universiteitsstad en er zijn in de lente en zomer altijd een hoop culturele
activiteiten gaande. Het feit dat Mercedes er in 2012 een van zijn grootste
fabrieken van Europa opende, betekent niet alleen veel nieuwe banen en
inkomsten, maar zal ook de internationale bekendheid van de stad vergroten.
Geschiedenis
Al in de middeleeuwen ontwikkelde Kecskemét zich tot een bescheiden
handelscentrum in de regio. Tijdens de Turkse invasie werd het, omdat het een
beschermende palissade had, een toevluchtsoord voor vluchtelingen, van
Grieks-orthodoxen en katholieken tot calvinisten en lutheranen. Dankzij een
schatting die de stad rechtstreeks aan de pasja in Boeda betaalde, ontsnapte
het als een van de weinige steden in de regio aan verwoesting. Eind 19e eeuw
maakte de nieuwe landbouwwelvaart het tot een serieuze grote stad.
Wat te zien?
Het centrum is bescheiden in omvang en de meeste bezienswaardigheden zijn
geconcentreerd op en rond het Kossuth tér en het Szabadság tér, twee groene
pleinen die min of meer in elkaar overlopen en waarop weer een aantal andere
pleinen uitkomen. Hier vindt u ook de nodige koffiehuizen, cafés en
restaurants.
Het Stadhuis van Kecskemét op het Kossuthplein is de jugendstilparel van de
stad. Het is in 1895/1911 gebouwd door de grote jugendstil architect van
Hongarije Ődön Lechner in samenwerking met Gyula Pártos. Overal op en in het
gebouw zijn volkskunstmotieven verwerkt, de glas-in-lood ramen zijn afkomstig
uit de werkplaats van de grote jugendstil glazenier Miksa Róth en de dakpannen
komen uit de beroemde Zsolnay porseleinfabriek. De muren van de centrale hal
zijn bedekt met historische fresco’s, maar die hal is alleen op afspraak te
bezoeken (Tourinform). U kunt natuurlijk ook gewoon even naar binnen gaan om de
portier te vragen of u naar binnen mag. Het antwoord is waarschijnlijk nee,
maar dan heeft u in ieder geval een korte blik naar binnen kunnen werpen.
Rechts tegenover de ingang van het stadhuis staat de franciscaner kerk, de
oudste van de stad. Hij is gebouwd in de 14e eeuw in Romaanse stijl maar in de
18e eeuw gebarokkiseerd. Tot 1564 werd de kerk door zowel katholieken als
protestanten gebruikt. Als u tussen het stadhuis en de Fransiscaner kerk naar
rechts loopt komt u via het Lestárplein of het Katona Jozsefplein met het
neo-barokke Katona József theater. Dit is gebouwd ter ere van de millenniumviering
in 1896 door dezelfde Weense architecten, Hellmer en Fellner, die ook het
Komedie Theater in Boedapest ontwierpen en het lijkt er dan ook sterk op.
Op een hoek van datzelfde plein ligt ook het Hongaarse Fotografiemuseum
(Katona József tér 12, tel 76/ 483-221, www.fotomuzeum.hu Gesloten
op ma en din). Het gebouwd is rond 1900 ontworpen als orthodoxe synagogecomplex
en werd in 1990 museum. Het was toen in zeer slechte staat zodat vooral de
muren aan de straatkant en de buitenmuren van de synagogeruimte zelfs bewaard
zijn gebleven, daarachter zijn diverse nieuwe ruimtes gecreëerd. Ook de plafond
decoraties konden worden hersteld. Dit is het enige fotografiemuseum in het
land en het heeft een unieke collectie beeldmateriaal van zowel Hongaarse als
internationale fotograven, waaronder natuurlijk namen als Robert Capa,
Brassaï, André Kertész en László Moholy-Nagy.
Terug naar het Kossuthplein vindt u als u verder naar het noorden loopt
achter de franciscaner kerk het oude franciscaner klooster, waar nu het Zoltán
Kódály Pedagogisch Muziekinstituut (Kéttemplomköz 1, tel 76/ 481-518 www.kodaly.hu) in gevestigd is. Binnen kunt u
een kleine tentoonstelling bekijken gewijd aan het leven en werk van deze
Hongaarse componist (1882-1967). Op basis van Kódály’s filosofie ontwikkelden
zijn collega’s en studenten halverwege de 20e eeuw de Kódály methode. Deze
methode gebruikt onder andere volksliedjes, gebaren, beelden en symbolen om
kinderen vanaf hele jonge leeftijd muziek aan te leren, maar legt ook veel
nadruk op zang en het aanleren van muziekschrift (solvege). De methode, die het
muziekonderwijs in de ogen van critici misschien wat weinig speels en ietwat
rigide benadert, wordt ook internationaal toegepast maar heeft haar grootste
aanhang uiteraard in Hongarije zelf, niet op de laatste plaats in het algemene
muziekonderwijs op Hongaarse lagere scholen.
Nog iets verder naar het noorden komen Kossuthplein, Szabadságplein en
Kálvinplein samen. Daar vindt u de gereformeerde kerk (de enige stenen kerk in
de Turkse tijd) en het gereformeerde Nieuwe College (Szabadság tér 7. Tel
76/486-226). Het is een monumentaal gebouw met een gevel van natuursteen in
combinatie met Zsolnay tegels, geometrische patronen en grote glas-in-lood
ramen. Het is in 1912 ontworpen als juridische faculteit en huist nu een
gereformeerde lagere en middelbare school. Daarnaast op Szabadságplein no 3
staat het Lutherpaleis uit 1912 (appartementen, winkels, kantoren van de
Lutherse kerk), dat met zijn steile dak en houtsnijwerk aan de buitenkant iets
heeft van een huis in de bergen.
Aan de noordzijde van het plein vindt u dan rechts het beroemde
Cifrapaleis, gebouwd in 1902 als appartementencomplex en casino, dat met zijn
golvende gevelranden en gekleurde ornamenten en tegels en oranjegroene dak aan
Gaudi doet denken. Nu zit er de Kecskemét Gallerie (officieel Rákóczi ut 1, tel
76/ 480-776) een van de grootste collecties van het land heeft en zich vooral
richt op 20e-eeuwse kunst (onder andere werk van Menyhért Tóth, Mednyánszky,
Rippl-Rónai). Net even in de Rákóczi út (no 3-5) vindt u naast het
Cifrapaleis een appartementencomplex met het voormalige casino, gebouwd in
1911-1912. In de grote hal binnen vindt u postimpressionistische
muurschilderingen. Bij een renovatie begin jaren ‘90 zijn er helaas balkons aan
het gebouw toegevoegd en zijn er nieuwe winkelpuien aangebracht. Daar
tegenover links staat de voormalige synagoge, gebouwd in de tweede helft van de
19e eeuw in Moors-Romantische stijl. Het is nu het Huis van Wetenschap en
Techniek (officieel Rákóczi ut tel 76/ 487-611, gesloten in het weekeinde), een
conferentie en (feestzalen) centrum waar ook een tentoonstelling te zien is van
originele replica’s van 15 beelden van renaissancemeester Michelangelo.
Terug op het Szabadságplein loopt u zuidwaarts en vindt u na 100 m. rechts
de Arany János utca met de Lutherse kerk, gebouwd door Miklos Ybl in de 19e
eeuw. Als u die straat uitloopt komt u vanzelf op het Piaristenplein met
ondermeer het Piaristengymnasium en de nieuwe bibliotheek uit 1997 Gaat u
zuidelijk de Gáspár András körut in dan komt u langs het Museum van Hongaarse
Naïeve Kunst (no 11, tel 76/ 324-767). Loopt u de Gáspár András verder uit dan
komt u op het Széchényi plein, met de oude Grieks Orthodoxe kerk, de oude
Griekse bazar en het Handwerkers Gildehuis gebouwd in 1907. Dit prachtige
gebouw met zijn ronde lijnen, grote ramen en kleurige decoraties is nu een
Jeugd Cultuurhuis met diverse werkruimtes, een bioscoop en een café. Van
hieraf bent u in 100 m. weer op het Kossuthplein, vlakbij het stadhuis. Links
om de hoek ziet u nog een opvallend roodwit gebouw (het Pers Huis) en naast het
stadhuis de oude katholieke kathedraal.
In de lente en de zomer wordt er in de stad allerlei concerten en (open
licht) voorstellingen gegeven onder de noemer van het Lentefestival of het
Zomerfestival. Actuele info bij Tourinform. Daar kunt u ook terecht voor het
huren van fietsen of het bespreken van plaatsen bij de paardenshows die op
boerderijen in de omgeving worden gegeven voor toeristen. Ook Kecskemét
heeft zijn grote zwembad met glijbanen, bubbelbaden en sauna’s (Aquapark,
Csabay G. krt. 2, tel 76/ 417-407 www.csuszdapark.hu),
maar daarvoor moet u naar de zuidwest rand van de stad. Ook uit de loop, want
aan de noordoost kant, zit de directie van het Kiskunság Nationaal Park en haar
bezoekerscentrum, het Huis van de Natuur (Liszt Ferenc u. 19, tel 76/ 482-611, http://knp.nemzetipark.gov.hu/, dicht
op zon en ma). Hier vindt u informatie over de diverse natuurgebieden en ze
hebben ook routes van wandelingen.
Dining Guide restaurant Jankovich Kúria in het dorpje Rácalmás (een flink
stuk westelijk van Kecskemét)
- Jankovich köz 1. Tel: +36 25 507 817
- Keuken: Hongaars/Koreaans
- Sfeer: eetcafé
- Gemiddelde prijs drie gangen: Ft 3000
>>> Hongaarse pruimen, paprika’s
en … sinaasappels?
De Hongaarse palinka is een variant op wat wij in Nederland brandewijn of
jenever noemen, een sterk alcoholische drank (doorgaans 30% tot 40% alcohol,
maar bij huisgestookte varianten kan dat oplopen tot wel 60%) gemaakt van fruit
zoals abrikozen (barack), pruimen (szilva), peren (körte) en kersen
(cserensznye). Een van de beste soorten is “de fluitende abrikozen palinka”
(fütyülős barack pálinka) van Kecskemét. Die is eind 19e eeuw ontstaan toen de
productie van wijn terugliep als gevolg van de druivenziekte phylloxera die
rond 1880 in heel Europa wijngaarden vernietigde. Het eerste deel van de naam
verwijst naar de flessen met lange dunne hals die de vorm hebben van een fluit.
Beroemd is ook de Hongaarse paprika. De paprikaplant, oorspronkelijk
afkomstig uit Centraal Amerika, werd door de Turken in Hongarije geïntroduceerd
en werd langzaam maar zeker een van de belangrijkste kruiden in de Hongaarse
keuken. Begin 19e eeuw kreeg de internationale handel in paprikapoeder ook nog
eens een forse stimulans omdat er gedurende de Napoleontische oorlogen, tot
Nederlands chagrijn, een blokkade was tegen de invoer van specerijen uit de
Oost.
Hongaarse sinaasappels zijn er nooit geweest, het klimaat is er simpelweg
niet geschikt voor. Maar in de jaren vijftig hebben de communisten wel pogingen
ondernomen ze te kweken en dat werkt door tot in de huidige politieke
verhoudingen in het land. In de film “De Getuige” (A tanu) uit 1969 werd
danig de spot gedreven met ondermeer dit gebrek aan communistische
realiteitszin. “De Hongaarse sinaasappel” blijkt in het verhaal uiteindelijk
niet meer dan een citroen, wat de hoofdpersoon brengt tot de cynische
uitspraak: “Deze sinaasappel is geel en een stuk zuurder, maar hij is wel van
ons.” De Getuige was tien jaar lang in Hongarije verboden en kreeg in
dissidente kringen al gauw een cultstatus. Met een knipoog naar de film koos de
jonge en links-liberale partij Fidesz in 1989 oranje als de partijkleur en de
sinaasappel als partijsymbool. De partijkleur bleef, ook toen Fidesz later een
rechts-conservatieve partij werd en afgleed naar de autoritaire kant. Maar
inmiddels zijn grappen over sinaasappels, citroenen en de kleur oranje juist
weer populair onder de nieuwe oppositie, getuige spandoeken als: “Als we niet
oppassen, verdrinken we in het sinaasappelsap,” en “Laat je geen sinaasappelen
voor citroenen verkopen.”


Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen